Ik voel me slecht over mijn armen.
Dat is geen zin die je verwacht uit te spreken tijdens een viergangenmenu met ijs en warme chocoladesaus. Toch gebeurde het.
Ik heb een vriendin met wie ik alles bespreek. Echt alles.
Om onze mannen emotioneel te beschermen, mogen ze één op de vier keer mee.
Die vrijdag was het hun beurt.
Terwijl zij het over voetbal hadden – iets met het al dan niet halen van de play-offs – zaten wij onze bovenarmen te bestuderen.
Niet opvallend.
Subtiel.
Zoals alleen vrouwen dat kunnen.
Met een glas wijn in de hand en lichte paniek in de ogen.
‘Zie je dat?’ vroeg ze, terwijl ze met haar vinger tegen de onderkant van haar bovenarm tikte.
En ja. Ik zag het.
Het bewoog nog een fractie na.
Niet veel.
Niet dramatisch.
Maar genoeg om plots te begrijpen dat een driekwartmouw geen stijlkeuze is, maar een levensfase.
Niemand waarschuwt je voor bovenarmen
Het rare is dat niemand mij ooit gewaarschuwd heeft voor bovenarmen.
Voor rimpels, ja.
Voor grijs haar, absoluut.
Voor het belang van de bikini body worden complete vrouwenbladen volgeschreven.
Maar armen?
Geen enkel artikel.
Geen enkele influencer die zegt: ‘Link in bio voor mijn bovenarmenroutine.’
Ik heb trouwens nooit een bikini body gehad. Het dichtst dat ik in de buurt kwam, was ergens in mijn twintiger jaren. En zelfs toen vond ik van niet.
Had ik dat toen maar geweten
Achteraf bekeken had ik toen gewoon permanent in mijn bikini moeten wonen.
Naar de Delhaize in bikini. Met een herbruikbare zak en zelfvertrouwen dat nergens op gebaseerd was.
Naar het werk in bikini.
PowerPoint presenteren in bikini.
Naar familiefeesten waar tantes en nonkels vroegen of ik al wist wat ik met mijn leven ging doen.
‘Geen idee, maar kijk eens naar mijn armen.’
In bikini.
Zelfs naar het gemeentehuis voor een nieuw paspoort.
‘Handtekening hier, mevrouw.’
In bikini.
Ik had foto’s moeten laten trekken. Van opzij. Van achter. Met veel tegenlicht.
En die dan nog posten ook.
Allemaal in bikini.
Niet omdat ik toen zo tevreden was over mijn lichaam. Integendeel.
Vroeger begreep ik het bestaan van de driekwartmouw niet.
In mijn twintiger jaren was dat zo’n mouw die zei: ik wil wel… maar ik ga eerst nog even zien wat de anderen doen.
Pas na mijn veertigste viel mijn frank.
Toen pas begreep ik de driekwartmouw.
Die is voor de kippenfilets.
Had ik dat toen al geweten, ik had met die armen gezwaaid alsof mijn leven ervan afhing.
Ik had elke Mexican wave meegedaan.
Ik was door de straat gefietst zoals de paus.
Zwaaiend naar iedereen.
Zelfs naar mensen die mij niet kennen.
Zéker naar mensen die mij niet kennen.
Dame blanche versus pilates
Maar daar zaten we dus.
Mijn vriendin — vier jaar jonger en dus officieel nog in de fase waarin pilates alles kan oplossen — zei:
‘Dit moet strakker.’
Ik knikte.
En pakte nog een lepel van mijn dame blanche.
Want er zijn grenzen aan wat een mens tegelijk kan.
Je kunt niet én warme chocoladesaus eten én beslissen dat je morgen gaat trainen voor Sportvrouw van het Jaar.
Zachte armen
Later die avond, toen ik mijn tanden poetste, zwaaide ik naar mezelf in de spiegel.
Mijn arm zwaaide nog even na.
We stonden daar samen.
Ik en mijn arm.
Allebei een beetje moe van de dag.
Misschien is ouder worden niet het verliezen van stevigheid, maar het moment waarop je beslist dat zachte armen ook gewoon armen zijn.
Armen die dragen.
Armen die vasthouden.
Armen die zwaaien naar mensen die je graag ziet.
En heel af en toe ook nog eens naar de garçon.
Voor een extra dame blanche.